No edit permissions for Nederlands

Hoofdstuk 2

Een spiritueel leraar kiezen




Wat is een guru?

Wanneer we het woord guru horen, hebben we de neiging ons een karikaturaal beeld te vormen van een bizar uitziende oude man met een lange vlassige baard en golvende gewaden, die mediteert op vage esoterische waarheden. Of we denken aan een kosmische oplichter die voordeel probeert te halen uit de spirituele onnozelheid van jonge zoekers. Maar wat is een guru eigenlijk? Wat weet hij dat wij niet weten? Hoe kan hij ons verlichten? In een lezing gegeven in Engeland, 1973, geeft Śrīla Prabhupāda enkele verlichtende antwoorden.

oṁ ajñāna-timirāndhasya
jñānāñjana-śalākayā
cakṣur unmīlitaṁ yena
tasmai śrī-gurave namaḥ

‘Ik werd geboren in het diepste duister van onwetendheid en mijn guru, mijn spiritueel leraar heeft mij verlicht met de fakkel der kennis. Daarom breng ik hem mijn respectvolle eerbetuigingen.’

Het woord ajñāna betekent ‘onwetendheid’ of ‘duisternis’. Als al het licht in deze kamer zou uitvallen, zouden we niet kunnen zien waar wij of anderen zitten. Het zou verwarring veroorzaken. Op dezelfde manier bevinden we ons in de materiële wereld in duisternis. Deze wereld is een wereld van tamasTamas of timira betekent ‘duisternis’. De materiële wereld is duister en heeft daarom zon- of maanlicht nodig voor verlichting. Maar er is een andere wereld, een spirituele wereld, die zich buiten deze duisternis bevindt. Die wereld wordt door Śrī Kṛṣṇa beschreven in de Bhagavad-gītā (15.6):

na tad bhāsayate sūryo
na śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama

‘Die allerhoogste woning van Mij wordt niet verlicht door de zon of de maan en evenmin door vuur of elektriciteit. Zij die haar bereiken, komen nooit meer terug naar de materiële wereld.’

Het is de taak van de guru zijn discipelen van het duister naar het licht te brengen. Iedereen lijdt tegenwoordig door onwetendheid, zoals iemand uit onwetendheid een ziekte oploopt. Als iemand geen hygiënische principes kent, komt hij niet te weten wat hem besmet. Het is daarom aan onwetendheid te wijten dat er een infectie ontstaat en hij aan een ziekte moeten lijden. Een misdadiger kan zeggen dat hij de wet niet kende, maar hij zal niet verontschuldigd worden als hij een misdaad pleegt. Onwetendheid is geen excuus. Zo zal ook een kind, dat niet weet dat vuur zijn vinger zal verbranden, het vuur aanraken. Het vuur denkt niet: ‘Dit is een kind, hij weet niet dat ik zijn vinger zal branden.’ Nee, geen excuus. Zoals er de wetten van de staat zijn, zo zijn er ook de strenge wetten van de natuur, en het schenden van deze wetten heeft zijn uitwerking, of wij ze nu kennen of niet. Als we door toedoen van onwetendheid iets verkeerd doen, zullen we moeten lijden. Dat is de wet. Of de wet nu een staatswet of een natuurwet is, als we haar overtreden lopen we het gevaar te moeten lijden.

Het is de taak van de guru erop toe te zien dat geen enkel mens in de materiële wereld lijdt. Niemand kan beweren dat hij niet lijdt. Dat is onmogelijk. In de materiële wereld zijn er drie soorten leed: adhyātmikaadhibhautika en adhidaivika. Dit zijn de soorten ellende die veroorzaakt worden door het materiële lichaam en de geest, door andere levende wezens en door natuurgeweld. Soms lijden we aan een mentale kwelling, soms lijden we door toedoen van andere levende wezens — mieren, muggen of vliegen — en soms lijden we door een hogere macht. Soms valt er geen regen en soms is er een overstroming. Soms is er extreme hitte en soms is er extreme kou. Er worden ons door de natuur zo veel verschillende soorten leed opgelegd. Zo zijn er in de materiële wereld drie verschillende vormen van ellende en iedereen lijdt aan één, twee of drie ervan. Niemand kan zeggen dat hij volkomen vrij is van leed.

We zouden ons daarom kunnen afvragen waarom het levend wezen lijdt. Het antwoord is: uit onwetendheid. Het denkt niet: ‘Ik bega fouten en leid een zondig leven; daarom lijd ik.’ Daarom is het de eerste taak van de guru zijn discipel van deze onwetendheid te bevrijden. We sturen onze kinderen naar school om ze tegen leed te beschermen. Als onze kinderen geen onderwijs ontvangen, zijn we bang dat ze in de toekomst zullen lijden. De guru kan zien dat leed veroorzaakt wordt door onwetendheid, die vergeleken wordt met duisternis. Hoe kan iemand die zich in duisternis bevindt, gered worden? Met licht. De guru neemt de fakkel van kennis en geeft die aan het levend wezen dat door onwetendheid omhuld is. Die kennis verlicht het van de ellende in de duisternis van onwetendheid.

Je zou je kunnen afvragen of een guru absoluut noodzakelijk is. De Veda’s zeggen dat hij inderdaad absoluut noodzakelijk is:

tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet
samit-pāṇiḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham

Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12)

De Veda’s bevelen ons een guru te vinden. In feite zeggen ze dat we dé spiritueel leraar moeten vinden, niet zomaar een spiritueel leraar. De guru is één omdat hij deel uitmaakt van de opeenvolging van discipelen. Wat Vyāsadeva en Kṛṣṇa vijfduizend jaar geleden onderwezen, wordt ook nu onderwezen. Hun onderricht is hetzelfde. Hoewel er honderden en duizenden ācārya’s gekomen en gegaan zijn, is de boodschap één. Een ware guru kan niet twee zijn, omdat een ware guru niets anders zegt dan zijn voorgangers. Sommige spirituele onderwijzers zeggen: ‘Volgens mij moet je dit doen.’ Maar dat is geen guru. Zulke zogenaamde guru’s zijn gewoon ellendige dwazen. De werkelijkeguru heeft maar één mening, en dat is de mening zoals die gesproken werd door Kṛṣṇa, Vyāsadeva, Nārada, Arjuna, Śrī Caitanya Mahāprabhu en de Gosvāmī’s. Vijfduizend jaar geleden sprak Heer Śrī Kṛṣṇa de Bhagavad-gītā en Vyāsadeva stelde haar op schrift. Śrīla Vyāsadeva zei niet: ‘Dit is mijn mening.’ Integendeel, hij schreef: śrī-bhagavān uvāca — ‘De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zegt.’ Wat Śrīla Vyāsadeva schreef, werd oorspronkelijk door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods gesproken. Śrīla Vyāsadeva gaf niet zijn eigen mening.

Śrīla Vyāsadeva is daarom een guru. Hij legt de woorden van Kṛṣṇa niet verkeerd uit, maar brengt ze precies over zoals ze gesproken zijn. Wanneer we een telegram versturen, hoeft degene die het telegram bezorgt het niet te corrigeren, te bewerken of aan te vullen. Hij overhandigt het alleen maar. Dat is de taak van de guru. Wíe de guru is, is niet belangrijk, de boodschap is dezelfde; daarom is de guru één.

In de opeenvolging van discipelen wordt hetzelfde onderwerp enkel herhaald. In de Bhagavad-gītā (9.34) zegt Śrī Kṛṣṇa:

man-manā bhava mad-bhakto
mad-yājī māṁ namaskuru
mām evaiṣyasi yuktvaivam
ātmānaṁ mat-parāyaṇaḥ

‘Zorg dat je geest altijd aan Mij denkt, word Mijn toegewijde, breng Me eerbetuigingen en vereer Me. Wanneer je op die manier volledig van Mij vervuld bent, zul je zeker tot Me komen.’ Deze instructies werden door alle ācārya’sherhaald, zoals Rāmānujācārya, Madhvācārya en Caitanya Mahāprabhu. De zes Gosvāmī’s brachten dezelfde boodschap over en wij volgen enkel in hun voetsporen. Er is geen verschil. Wij interpreteren de woorden van Kṛṣṇa niet door te zeggen: ‘Het is mijn mening dat het Slagveld van Kurukṣetra het menselijk lichaam voorstelt.’ Zulke interpretaties komen van dwazen. Er zijn tegenwoordig veel dwaze guru’s die hun eigen mening geven, maar wij dagen iedere dwaas uit.

Een dwaze guru zegt dat hij zelf God is of dat we allemaal God zijn. Hij kan dat zeggen, maar we moeten in het woordenboek opzoeken wat het woord ‘God’ eigenlijk betekent. Gewoonlijk staat er in het woordenboek dat het woord ‘God’ de Allerhoogste aanduidt. We kunnen zo’n guru dus vragen: ‘Ben jij de Allerhoogste?’ Als hij dit niet begrijpt, moeten we hem de betekenis van het woord ‘allerhoogste’ geven. Elk woordenboek zal ons zeggen dat allerhoogste ‘de hoogste autoriteit’ betekent. We kunnen dan vragen: ‘Ben jij de hoogste autoriteit?’ Zo’n ellendigeguru kan zo’n vraag niet beantwoorden, hoewel hij beweert God te zijn. God is de Allerhoogste en de hoogste autoriteit. Niemand is gelijk aan of groter dan Hij. Toch zijn er vele guru-goden, ellendige dwazen die beweren de Allerhoogste te zijn. Zulke ellendige dwazen kunnen ons niet helpen om uit de duisternis van het materiële bestaan te ontsnappen. Ze zijn niet in staat onze duisternis met de fakkel van spirituele kennis te verlichten.

Een bonafide guru zal gewoon overbrengen wat de allerhoogste guru, God, in de bonafide heilige teksten zegt. Eenguru mag de boodschap van de opeenvolging van discipelen niet veranderen.

We moeten inzien dat het onmogelijk is om door onafhankelijk onderzoek de Absolute Waarheid te leren kennen. Caitanya Mahāprabhu Zelf zei: ‘Mijn Guru Mahārāja, Mijn spiritueel leraar, vond me een grote dwaas.’ Wie tegenover zijn guru een grote dwaas blijft, is zelf een guru. Maar wie beweert zo gevorderd te zijn dat hij het beter weet dan zijn guru, is gewoon een dwaas. In de Bhagavad-gītā (4.2) zegt Śrī Kṛṣṇa:

evaṁ paramparā-prāptam
imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā
yogo naṣṭaḥ paran-tapa

‘Zo werd deze allerhoogste wetenschap door de opeenvolging van discipelen ontvangen en zo begrepen de heilige vorsten haar. Maar na verloop van tijd werd de overlevering verbroken en hierdoor lijkt de wetenschap zoals ze is verloren te zijn geraakt.’

Een guru aanvaarden is niet zomaar een modeverschijnsel. Wie werkelijk wil begrijpen wat spiritueel leven is, heeft een guru nodig. Een guru is een noodzaak, omdat we bijzonder serieus moeten zijn om te begrijpen wat spiritueel leven, juist handelen, God en onze relatie met God is. Als we deze onderwerpen werkelijk willen begrijpen, hebben we een guru nodig. We moeten een guru niet benaderen omdat het in de mode is, maar we moeten ons aan hem overgeven, omdat we zonder overgave niets kunnen leren. Als we alleen maar naar een guru gaan om hem uit te dagen, zullen we niets leren. We moeten de guru aanvaarden zoals Arjuna zijn guru, Śrī Kṛṣṇa Zelf, aanvaardde:

kārpaṇya-doṣopahata-svabhāvaḥ
pṛcchāmi tvāṁ dharma-sammūḍha-cetāḥ
yac chreyaḥ syān niścitaṁ brūhi tan me
śiṣyas te ’haṁ śādhi māṁ tvāṁ prapannam

Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ben door een vrekkige zwakheid mijn evenwicht kwijt. In deze toestand vraag ik Je me met zekerheid te vertellen wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling en geef me volkomen aan Je over. Alsjeblieft, onderricht me.’ (Bhagavad-gītā 2.7)

Dat is de manier waarop je een guru aanvaardt. De guru is de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa en de voorgaande ācārya’s. Kṛṣṇa zegt dat alle ācārya’s Zijn vertegenwoordigers zijn; daarom moeten we de guru net zoveel respect betuigen als God Zelf. Zoals Viśvanātha Cakravartī Ṭhākura in zijn gebeden aan de spiritueel leraar zegt: yasya prasādād bhagavat-prasādaḥ — ‘Door de genade van de spiritueel leraar ontvang je de zegen van Kṛṣṇa.’ Als we ons dus aan de betrouwbare guru overgeven, geven we ons aan God over. God aanvaardt onze overgave aan de guru.

In de Bhagavad-gītā (18.66) geeft Kṛṣṇa de volgende instructie:

sarva-dharmān parityajya
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen over aan Mij. Ik zal je verlossen van alle reacties op je zonden. Vrees niet.’

Iemand zou nu kunnen zeggen: ‘Waar is Kṛṣṇa? Ik zal me aan Hem overgeven.’ Maar dat is niet de manier. Het proces is dat we ons eerst overgeven aan de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa; op die manier geven we ons over aan Kṛṣṇa. Daarom wordt er gezegd: sākṣād-dharitvena samasta-śāstraiḥ — de guru is zo goed als God. Wanneer we respect betuigen aan de guru, betuigen we respect aan God. Omdat we godsbewust proberen te worden, moeten we leren hoe we God respect moeten betuigen via Zijn vertegenwoordiger.

Hoewel de guru in alle śāstra’s beschreven wordt als zo goed als God, zegt de guru nooit dat hij God is. Het is de taak van de discipel de guru net zoveel respect te betuigen als hij God respect betuigt, maar de guru denkt nooit: ‘Mijn discipelen betuigen me net zoveel respect als ze aan God betuigen, daarom ben ik God geworden.’ Zodra hij dat denkt, is hij niet God, maar een hond. Daarom zegt Viśvanātha Cakravartī: kintu prabhor yaḥ priya eva tasya. Omdat hij de vertrouwelijkste dienaar van God is, wordt aan de guru hetzelfde respect betuigd als aan God. God is altijd God en de guru is altijd de guru. Het is een kwestie van etiquette dat God de vereerbare God is en de guru de vererende God (sevaka-bhagavān). Daarom wordt de guru aangesproken met prabhupāda. Het woord prabhu betekent ‘heer’ en pāda betekent ‘positie’. Prabhupāda betekent dus: ‘hij die de positie van de Heer ingenomen heeft’. Dat is hetzelfde als sākṣād-dharitvena samasta-śāstraiḥ.

Een guru is alleen nodig wanneer we de wetenschap van God werkelijk willen begrijpen. We zouden geen guru moeten aanvaarden alleen maar omdat dat in de mode is. Wie een guru aanvaard heeft, spreekt verstandig; hij zal nooit onzin spreken. Daaraan kunnen we zien dat iemand een betrouwbare guru aanvaard heeft.

We moeten de spiritueel leraar beslist alle respect betuigen, maar we moeten er ook aan denken hoe we zijn opdrachten kunnen uitvoeren. In de Bhagavad-gītā (4.34) geeft Śrī Kṛṣṇa Zelf de methode waarop we de guru moeten zoeken en benaderen:

tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ

'Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem in alle nederigheid vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.’ Overgave is het eerste proces. We moeten een verheven persoon vinden en ons bereidwillig aan hem overgeven. De śāstra’s raden ons aan dat we, voordat we een guru aanvaarden, hem eerst nauwlettend bestuderen om te zien of we ons aan hem kunnen overgeven. Een guru aanvaard je niet plotseling uit fanatisme. Dat is heel gevaarlijk. De guru moet op zijn beurt ook de aspirant-discipel bestuderen, om te zien of hij het waard is. Dat is de manier waarop de relatie tussen de guru en de discipel zich ontwikkelt. In alles is voorzien, maar we moeten ons in alle ernst op het proces toeleggen. Daarna kunnen we opgeleid worden om een betrouwbare discipel te worden. Eerst moeten we een betrouwbare guru zien te vinden, onze relatie met hem ontwikkelen en overeenkomstig handelen. Dan zal ons leven met succes bekroond worden, omdat de guru de oprechte discipel, die zich in het duister bevindt, kan verlichten.

Iedereen wordt als dwaas geboren. Als we geboren zouden zijn als geleerden, waarom gaan we dan naar school? Als we geen kennis ontwikkelen, zijn we niet beter dan dieren. Een dier kan beweren dat boeken overbodig zijn en dat hij een guru geworden is, maar hoe kan iemand kennis ontvangen zonder de gezaghebbende boeken over filosofie en wetenschap te bestuderen? Dwaze guru’s proberen dat soort dingen te vermijden. We moeten inzien dat we allemaal geboren dwazen zijn en dat we verlicht moeten worden. Als we ons leven niet met kennis vervolmaken, lijden we een nederlaag. Wat is die nederlaag? De strijd om het bestaan. We proberen een beter leven te leiden, een hogere positie te bereiken en doen daar heel veel moeite voor, maar we weten niet wat werkelijk een hogere positie is.

Welke positie we ook hebben in de materiële wereld, we zullen deze moeten opgeven. Of we ons nu in een gunstige of een ongunstige positie bevinden, we kunnen er niet in blijven. We kunnen miljoenen euro’s verdienen en denken dat we ons in een gunstige positie bevinden, maar wat dysenterie of cholera maakt daar een einde aan. Als de bank faalt, is het ook afgelopen met onze positie. Dus eigenlijk is er in de materiële wereld geen goede positie. Het is een schijnvertoning. Zij die in de materiële wereld een betere positie nastreven, zijn uiteindelijk de verliezers, want er is hier geen betere positie. In de Bhagavad-gītā (14.26) staat wat de betere positie is:

māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate

‘Wie in alle omstandigheden volledig en onfeilbaar opgaat in devotionele dienst, ontstijgt onmiddellijk aan de hoedanigheden van de materiële natuur en komt zo tot het niveau van Brahman.’

Is er een wetenschap die ons de kennis verschaft waarmee we onsterfelijk kunnen worden? Ja, we kunnen onsterfelijk worden, maar niet in materiële zin. We kunnen zulke kennis niet in zogenaamde universiteiten ontvangen. Toch is er kennis in de heilige Vedische teksten waardoor we onsterfelijk kunnen worden. Die onsterfelijkheid is onze superieure positie. Geen geboorte, dood, ouderdom en ziekte meer. Daarom neemt de guru een grote verantwoordelijkheid op zich. Hij moet zijn discipel leiden, zodat hij een geschikte kandidaat wordt voor de volmaakte positie: onsterfelijkheid. De guru moet zo bekwaam zijn dat hij zijn discipel kan terugbrengen naar huis, terug naar God.




Heiligen en huichelaars

Het aantal mensen dat geïnteresseerd is in het beoefenen van yoga en meditatie neemt dagelijks met duizenden toe. Helaas wordt iemand die op zoek is naar een gids onherroepelijk geconfronteerd met allerlei goochelaars en personen die zichzelf voor spiritueel leraar.

Verslaggever: Het lijkt wel alsof de mensen meer dan ooit op zoek zijn naar een bepaalde vorm van spiritueel leven. Zou u me kunnen zeggen waarom dat zo is?

Śrīla Prabhupāda: Het verlangen naar spiritueel leven is volkomen natuurlijk. Omdat we een spirituele ziel zijn, kunnen we niet gelukkig zijn in de materiële wereld. Een vis op het droge kan zich nooit gelukkig voelen. Op dezelfde manier kunnen we ons niet gelukkig voelen als we niet bepaald spiritueel bewust zijn. Tegenwoordig zoeken veel mensen hun heil in economische vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkeling, maar omdat deze zaken niets te maken hebben met het eigenlijke doel van het leven, voelen de mensen zich er niet echt gelukkig bij. Veel jonge mensen beseffen dat. Ze verwerpen het materialistische leven en gaan op zoek naar het spirituele. Daar doen ze goed aan. Kṛṣṇa-bewustzijn is het juiste doel van het leven. Als je niet Kṛṣṇa-bewust bent, kun je niet gelukkig zijn. Dat is een feit. Daarom nodigen we iedereen uit om deze belangrijke beweging te bestuderen en te begrijpen.

Verslaggever: Er is iets waar ik me zorgen over maak. Sinds er enige tijd geleden een Indiase yogī in Engeland aangekomen is, de eerste ‘guru’ van wie de mensen ooit gehoord hebben, zijn er opeens uit het niets vele guru’sopgedoken. Soms heb ik het idee dat ze niet allemaal zo echt zijn als zou moeten. Zou het niet goed zijn om mensen die erover denken een spiritueel leven te beginnen op het hart te drukken zich er eerst van te overtuigen dat ze met een betrouwbare guru te doen hebben?

Śrīla Prabhupāda: Zeker. Het is natuurlijk heel mooi dat iemand een guru zoekt, maar als je een goedkope guru wilt, of bedrogen wilt worden, kun je vele bedriegers vinden. Maar als je oprecht bent, zul je een oprechte guru vinden. Omdat de mensen alles praktisch voor niets willen hebben, worden ze bedrogen. Wij vragen onze leerlingen zich te onthouden van vrije seks, het eten van vlees, gokken en het gebruik van opwekkende- en bedwelmende middelen. De mensen vinden dat allemaal erg moeilijk. Maar als iemand anders zegt dat je alle onzin kunt uithalen die je maar wilt zolang je zijn mantra maar neemt, vindt iedereen hem heel aardig. De bedriegers komen omdat mensen bedrogen willen worden. Niemand is bereid om ook maar enige ascese te ondergaan. Het mensenleven is bedoeld voor ascese, maar niemand wil dat. Daar spelen de bedriegers op in en zeggen: ‘Nee, geen ascese. Doe maar lekker waar je zin in hebt. Jij betaalt mij, ik geef je een mantra en dan word jij in zes maanden God.’ Dat zie je overal gebeuren. Als je op die manier bedrogen wil worden, komen de bedriegers vanzelf.

Verslaggever: Wat gebeurt er met iemand die werkelijk een spiritueel leven wil leiden, maar bij de verkeerde guru terechtkomt?

Śrīla Prabhupāda: Alleen al het volgen van een gewone studie vereist zo veel tijd, werk en intelligentie. Als je een spiritueel leven wil leiden, moet je er ook iets voor willen doen. Hoe kan iemand door een paar wonderbaarlijke mantra’s in zes maanden God worden? Waarom willen de mensen zoiets? Het betekent simpelweg dat ze bedrogen willen worden.

Verslaggever: Waaraan kunnen we een ware guru herkennen?

Śrīla Prabhupāda: Misschien kan een van mijn leerlingen deze vraag beantwoorden?

Discipel: Ik herinner me dat John Lennon u eens dezelfde vraag stelde. U antwoordde toen: ‘Probeer erachter te komen wie het meest toegewijd is aan Kṛṣṇa. Dat is een ware guru.’

Śrīla Prabhupāda: Precies. Een ware guru is de vertegenwoordiger van God en spreekt alleen over God. Een wareguru is niet geïnteresseerd in het materiële leven; het is hem zuiver en alleen om God te doen. Dat is een van de voorwaarden waaraan een ware guru moet voldoen: brahma-niṣṭham, hij is verdiept in de Absolute Waarheid. In de Muṇḍaka Upaniṣad staat: śrotriyaṁ brahma-niṣṭham — ‘Een ware guru kent de heilige Vedische teksten en Vedische kennis en stelt zich volledig afhankelijk van Brahman.’ Hij hoort Brahman (het spirituele) te kennen en hoe hij zijn leven daarop kan baseren. Al deze kenmerken worden besproken in de Vedische literatuur. Zoals ik al zei, een wareguru is de vertegenwoordiger van God. Hij vertegenwoordigt de Allerhoogste Heer, zoals de onderkoning de vorst vertegenwoordigt. Een ware guru verzint geen woord. Alles wat hij zegt is in overeenstemming met de heilige teksten en het onderricht van de voorgaande ācārya’s. Hij zal je niet een mantra geven en zeggen dat je in zes maanden God zult worden. Zoiets doet een guru niet. Een guru moedigt iedereen aan om een toegewijde van God te worden. Dat is het enige waarin een guru geïnteresseerd is. Sterker nog, dat is het enige wat hij doet. Hij zegt tegen iedereen: ‘Word alsjeblieft godsbewust.’ Als hij op een of andere manier belangstelling voor God probeert op te wekken en iedereen tot Gods toegewijde probeert te maken, is hij een ware guru.

Verslaggever: En christelijke geestelijken?

Śrīla Prabhupāda: Christelijk, islamitisch, hindoeïstisch — dat doet er niet toe. Als hij over God spreekt, is hij een guru. Jezus Christus is een goed voorbeeld. Hij zei tegen de mensen: ‘Probeer God lief te hebben.’ Iedereen — of hij nu een hindoe, moslim, of christen is — is guru als hij de mensen tot liefde voor God probeert te brengen. Daaraan kun je hem herkennen. De guru zegt nooit dat hij God is of dat hij van anderen God zal maken. Een ware guru zegt: ‘Ik ben een dienaar van God en ik zal van jou ook een dienaar van God maken.’ Het doet er niet toe hoe hij gekleed gaat. Caitanya Mahāprabhu zei: ‘Wie kennis over Kṛṣṇa kan overbrengen is een spiritueel leraar.’ Een betrouwbare spiritueel leraar spoort de mensen alleen maar aan om toegewijden van Kṛṣṇa, God, te worden. Dat is het enige wat hem te doen staat.

Verslaggever: Maar de slechte guru’s...

Śrīla Prabhupāda: Wat is een ‘slechte’ guru?

Verslaggever: Iemand die alleen op geld of roem uit is.

Śrīla Prabhupāda: Hoe kan hij een guru worden als hij slecht is? (Gelach) Hoe kan ijzer goud worden? Een guru kan per definitie niet slecht zijn, want als iemand slecht is, kan hij geen guru zijn. Je kunt niet spreken van een ‘slechte guru’. Dat is tegenstrijdig. Probeer gewoon te begrijpen wat een ware guru is. De definitie van een wareguru is dat Hij alleen maar over God praat — meer niet. Als hij over allerlei onzin praat, is hij geen guru. Een guru kan niet slecht zijn. Slechte guru’s bestaan niet, zoals je ook geen rode of witte guru’s hebt. Guru betekent ‘wareguru’. Een ware guru spreekt alleen over God en probeert de mensen tot Zijn toegewijde te maken.

Verslaggever: Wat zou ik moeten doen om in uw gemeenschap te mogen intreden?

Śrīla Prabhupāda: Je zou in de eerste plaats alle vrije seks moeten opgeven.

Verslaggever: Omvat dat alle seksuele activiteit? Wat is vrije seks?

Śrīla Prabhupāda: Vrije seks is buitenechtelijke seks. Dieren kunnen onbeperkt seks bedrijven, maar in de menselijke samenleving zijn er beperkingen. In ieder land en in iedere religie wordt het seksuele leven op een bepaalde manier beperkt. Ook zou je jezelf het gebruik van alle opwekkende- en bedwelmende middelen moeten ontzeggen, inclusief thee, sigaretten, alcohol, marihuana — kortom, alles wat bedwelmend of opwekkend is.

Verslaggever: Nog meer?

Śrīla Prabhupāda: Je zou ook moeten stoppen met het eten van vlees, vis en eieren. En ook gokken zou je moeten opgeven. Zonder deze vier zondige activiteiten op te geven, zou je niet ingewijd kunnen worden.

Verslaggever: Hoeveel volgelingen heeft u in de wereld?

Śrīla Prabhupāda: Iets wat echt is, wordt meestal maar door weinigen gewaardeerd, terwijl er horden mensen achter allerlei onzin aanlopen. Toch hebben we ongeveer vijfduizend ingewijde leerlingen.

Verslaggever: Groeit de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn nog steeds?

Śrīla Prabhupāda: Ja, al is het langzaam. Dat komt doordat we zo veel leefregels kennen. Daar houden de mensen niet van.

Verslaggever: Waar heeft u de meeste volgelingen?

Śrīla Prabhupāda: In de Verenigde Staten, Europa, Zuid-Amerika en Australië. En in India wonen natuurlijk miljoenen mensen die zich met Kṛṣṇa-bewustzijn bezighouden.

Verslaggever: Kunt u me vertellen wat het doel van uw gemeenschap is?

Śrīla Prabhupāda: Het doel van deze Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn is om ons oorspronkelijke bewustzijn opnieuw op te wekken. Op dit moment wordt ons bewustzijn bepaald door allerlei benamingen: de een denkt dat hij Engelsman is en de ander denkt dat hij Amerikaan is. Maar in feite hebben we niets met deze benamingen te maken. We zijn allemaal deeltjes van God — dat is onze ware identiteit. Als mensen dat zouden beseffen, zouden alle problemen in de wereld opgelost zijn. Iedereen zou dan namelijk begrijpen dat we één zijn, omdat we allemaal spirituele zielen zijn. Als spirituele zielen zijn we kwalitatief gelijk, ook al zien we er vanbuiten allemaal anders uit. Dat is wat de Bhagavad-gītā uitlegt.

Het Kṛṣṇa-bewustzijn is een methode van zuivering (sarvopādhi-vinirmuktam). Ons doel is de mensen los te maken van alle benamingen (tat-paratvena nirmalam). Wanneer ons bewustzijn gezuiverd raakt van alle benamingen, zullen de activiteiten die we met onze gezuiverde zintuigen verrichten ons volmaakt maken. Zo bereiken we uiteindelijk het hoogste doel van het mensenleven. Daarnaast is het Kṛṣṇa-bewustzijn een heel eenvoudige methode. Je hoeft er geen groot filosoof, wetenschapper of wat dan ook voor te worden. We hoeven enkel de heilige naam van de Heer te chanten, in het besef dat Zijn persoonlijkheid, Zijn naam en Zijn eigenschappen allemaal absoluut zijn.

Het Kṛṣṇa-bewustzijn is een verheven wetenschap. Helaas hebben de universiteiten geen faculteit die deze wetenschap onderwijst. Daarom vragen we alle serieuze mensen die belang stellen in het welzijn van de samenleving om te proberen deze grote gemeenschap te begrijpen en zo mogelijk met ons samen te werken. Op die manier kunnen de problemen van de samenleving opgelost worden. Dat staat ook in de Bhagavad-gītā, het belangrijkste en meest gezaghebbende boek over spirituele kennis. Veel mensen hebben van de Bhagavad-gītā gehoord en onze gemeenschap is erop gebaseerd. Onze gemeenschap geniet de erkenning van alle grote ācārya’s van India: Heer Caitanya, Rāmānujācārya, Madhvācārya en vele anderen. Omdat jullie vertegenwoordigers van de pers zijn, vraag ik jullie om in het belang van de samenleving te proberen deze gemeenschap zo goed mogelijk te begrijpen.

Verslaggever: Gelooft u dat uw gemeenschap de enige weg is om tot God te komen?

Śrīla Prabhupāda: Ja.

Verslaggever: Hoe weet u dat zo zeker?

Śrīla Prabhupāda: Door wat de autoriteiten en God, Kṛṣṇa, erover zeggen. Kṛṣṇa zegt:

sarva-dharmān parityajya
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen over aan Mij. Ik zal je verlossen van alle reacties op je zonden. Vrees niet.’ (Bhagavad-gītā 18.66)

Verslaggever: Betekent ‘overgave’ dat je je gezin moet opgeven?

Śrīla Prabhupāda: Nee.

Verslaggever: Maar als ik ingewijd zou willen worden, zou ik dan niet in de tempel moeten komen wonen?

Śrīla Prabhupāda: Niet per se.

Verslaggever: Bedoelt u dat ik gewoon thuis zou kunnen blijven?

Śrīla Prabhupāda: O ja.

Verslaggever: En mijn werk? Zou ik mijn baan moeten opgeven?

Śrīla Prabhupāda: Nee. Je moet alleen je slechte gewoonten opgeven en de Hare Kṛṣṇa-mantra chanten op een meditatiesnoer — dat is alles.

Verslaggever: Zou ik financiële steun moeten bieden?

Śrīla Prabhupāda: Nee, dat is aan jezelf. Geef je, dan is dat goed. En geef je niet, dan vinden we dat niet erg. We zijn niet afhankelijk van iemands financiële bijdrage. We zijn afhankelijk van Kṛṣṇa.

Verslaggever: Zou ik helemaal geen geld hoeven geven?

Śrīla Prabhupāda: Nee.

Verslaggever: Is dit dan misschien een van de belangrijkste punten waarin een ware guru van een valse te onderscheiden is?

Śrīla Prabhupāda: Ja, een ware guru is geen zakenman. Hij is een vertegenwoordiger van God. De guru herhaalt alles wat God zegt en niets anders.

Verslaggever: Maar zou je een ware guru bijvoorbeeld in een Rolls Royce kunnen zien rijden en in de mooiste suite van een duur hotel kunnen verwachten?

Śrīla Prabhupāda: Soms krijgen we een kamer in een eersteklas hotel aangeboden, maar meestal verblijven we in onze eigen tempels. We hebben zo’n honderd tempels over de hele wereld, dus we zijn niet op hotels aangewezen.

Verslaggever: Ik wilde u nergens van beschuldigen. Ik probeerde alleen maar duidelijk te maken dat ik denk dat uw waarschuwing heel terecht is. Er zijn zo veel mensen geïnteresseerd in spiritueel leven, maar tegelijkertijd zijn er ook genoeg die klaar staan om munt te slaan uit deze ‘guru-business’.

Śrīla Prabhupāda: Denk je dat spiritueel leven betekent dat je vrijwillig in armoede moet leven?

Verslaggever: Ik zou het niet kunnen zeggen.

Śrīla Prabhupāda: Een arm persoon kan materialistisch zijn en een rijk persoon heel spiritueel. Spiritueel leven heeft niets met armoede of rijkdom te maken; het is daaraan ontstegen. Neem bijvoorbeeld Arjuna. Arjuna maakte deel uit van een koninklijke familie, maar tegelijkertijd was hij een zuivere toegewijde van God. En in de Bhagavad-gītā (4.2) zegt Śrī Kṛṣṇa: evaṁ paramparā-prāptaṁ imaṁ rājarṣayo viduḥ — ‘Zo werd deze allerhoogste wetenschap door de opeenvolging van discipelen ontvangen en zo begrepen de heilige vorsten haar.’ Vroeger begrepen alle heilige vorsten de spirituele wetenschap. Spiritueel leven is dus niet afhankelijk van de materiële toestand waarin je je bevindt. In welke materiële situatie je je ook bevindt, of je nu koning of bedelaar bent, je kunt altijd begrijpen wat spiritueel leven is. Over het algemeen hebben de mensen er geen idee van wat spiritueel leven werkelijk inhoudt en ze bekritiseren ons daarom onnodig. Als ik je zou vragen wat spiritueel leven is, wat zou je dan zeggen?

Verslaggever: Ik zou het niet precies weten.

Śrīla Prabhupāda: Hoewel je niet weet wat spiritueel leven is, zeg je toch dat het zus of zo moet zijn. Maar eerst moet je weten wat spiritueel leven werkelijk inhoudt. Het spiritueel leven begint zodra je begrijpt dat je niet je lichaam bent. Dat is het werkelijke begin van het spiritueel leven. Wanneer je het verschil tussen je zelf en je lichaam ziet, kun je begrijpen dat je spiritueel bent, een ziel (ahaṁ brahmāsmi).

Verslaggever: Vindt u dat deze kennis deel zou moeten uitmaken van ieders onderwijs?

Śrīla Prabhupāda: Ja. De mensen moeten eerst leren wie ze zijn. Zijn ze hun lichaam of iets anders? Dat is het begin van het onderwijs. Nu leert iedereen te denken dat hij zijn lichaam is. Omdat iemand toevallig een Amerikaans lichaam gekregen heeft, denkt hij dat hij een Amerikaan is. Dat is hetzelfde als wanneer je denkt dat je een rood overhemd bent, enkel omdat je een rood overhemd draagt. Je bent geen rood overhemd, maar een mens. Op dezelfde manier is dit lichaam als een hemd of een jas om de ware persoon — de ziel — heen. Als we onszelf enkel als ons ‘hemd’ of onze ‘jas’ zien, hebben we absoluut geen spirituele kennis.

Verslaggever: Vindt u dat deze kennis op school onderwezen moet worden?

Śrīla Prabhupāda: O ja, zowel op school als aan de universiteit. Er bestaat een immense hoeveelheid literatuur over dit onderwerp, een immense hoeveelheid kennis. De leiders van de samenleving zouden ons moeten benaderen om onze gemeenschap te begrijpen.

Verslaggever: Komen er veel mensen bij u die met valse guru’s te maken hebben gehad?

Śrīla Prabhupāda: Ja, dat komt vaak voor.

Verslaggever: Was hun spiritueel leven door die valse guru’s bedorven?

Śrīla Prabhupāda: Nee. Omdat ze naar werkelijk spiritueel leven op zoek waren, kwamen ze hier terecht. God bevindt zich in het hart van iedereen en zodra iemand werkelijk naar Hem zoekt, zorgt Hij ervoor dat die persoon een echte guru vindt.

Verslaggever: Hebben echte guru’s zoals uzelf ooit geprobeerd de valse guru’s een halt toe te roepen — ze zogezegd buiten spel te zetten?

Śrīla Prabhupāda: Nee, daar ben ik niet op uit. Ik ben mijn gemeenschap begonnen met het zingen van Hare Kṛṣṇa. Ik zong in New York in Tompkins Square Park en al gauw kwamen er mensen naar me toe. Zo kwam de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn geleidelijk van de grond. Velen aanvaardden haar en velen niet. De fortuinlijken hebben haar aanvaard.

Verslaggever: Heeft u niet het gevoel dat de mensen als gevolg van hun ervaringen met valse guru’s argwanend zijn geworden? Als u naar een kwakzalver van een tandarts zou gaan en hij verprutste uw gebit, zou u misschien niet zo snel naar een andere tandarts gaan.

Śrīla Prabhupāda: Als je bedrogen bent, word je natuurlijk argwanend. Maar dat betekent niet dat je altijd bedrogen zult worden. Het is alleen belangrijk de juiste persoon te vinden. Maar om toegewijde te kunnen worden, moet je erg fortuinlijk zijn, of goed begrijpen wat deze wetenschap inhoudt. Uit de Bhagavad-gītā leren we dat er maar weinig oprechte zoekers zijn: manuṣyāṇāṁ sahasreṣu kaścid yatati siddhaye. Onder miljoenen mensen is er misschien maar één die in spiritueel leven geïnteresseerd is. Over het algemeen hebben de mensen alleen belangstelling voor eten, slapen, seks en zelfverdediging. Hoe kunnen we dan verwachten een grote aanhang te krijgen? Het is niet moeilijk te zien dat de mensen hun belangstelling voor het spiritueel leven verloren hebben. En bijna iedereen die werkelijk geïnteresseerd is, wordt door zogenaamde quasi spirituele personen bedrogen. Je kunt een gemeenschap niet alleen beoordelen naar het aantal volgelingen. Als er één persoon is die werkelijk oprecht is, dan is de gemeenschap een succes. Het is geen kwestie van kwantiteit, maar van kwaliteit.

Verslaggever: Ik vroeg me af hoeveel mensen er volgens u door valse guru’s zijn beetgenomen.

Śrīla Prabhupāda: Praktisch iedereen. (Gelach) Je hoeft ze niet te tellen. Iedereen.

Verslaggever: Dat betekent dus duizenden mensen, nietwaar?

Śrīla Prabhupāda: Miljoenen. Miljoenen zijn er bedrogen, omdat ze bedrogen wilden worden. God is alwetend. Hij ziet wat iemand verlangt. Hij woont in je hart en als je bedrogen wilt worden, stuurt God je een bedrieger.

Verslaggever: Kan iedereen de volmaaktheid bereiken waar u het net over had?

Śrīla Prabhupāda: Binnen één seconde. Iedereen kan in een oogopslag de volmaaktheid bereiken — als hij dat wil. Het probleem is dat niemand het wil. In de Bhagavad-gītā (18.66) zegt Kṛṣṇa: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja — ‘Geef je alleen over aan Mij.’ Maar wie geeft zich aan God over? Iedereen zegt: ‘Waarom zou ik me aan God overgeven? Ik wil onafhankelijk zijn.’ Maar geef je je echt over, dan is dat een kwestie van één seconde. Meer niet. Maar niemand wil dat en daar ligt het probleem.

Verslaggever: Als u zegt dat de meeste mensen bedrogen willen worden, bedoelt u dan dat ze met hun wereldse genoegens willen doorgaan en tegelijkertijd door een mantra te chanten of een bloem vast te houden tot spiritueel leven willen komen? Is dat wat u bedoelt met bedrogen willen worden?

Śrīla Prabhupāda: Precies. Het is zoiets als een patiënt die denkt: ‘Ik zal ziek blijven en tegelijkertijd gezond worden.’ Dat is tegenstrijdig. Een eerste vereiste is een opleiding in het spiritueel leven. Spiritueel leven is niet iets dat je zomaar in een gesprek van een paar minuten kunt begrijpen. Er bestaan zo veel filosofische en theologische werken, maar de mensen zijn er niet in geïnteresseerd. Dat is het probleem. Zo is het Śrīmad-Bhāgavatam een heel uitgebreid werk en het kan dagen duren voor je er ook maar een zin van begrijpt. Het Bhāgavatam beschrijft God, de Absolute Waarheid, maar de mensen zijn er niet in geïnteresseerd. En als iemand toevallig toch een beetje interesse in het spiritueel leven krijgt, wil hij iets goedkoops dat meteen effect heeft. Daarom wordt hij bedrogen. Het mensenleven is bedoeld voor ascese en boetedoening. Dat is de Vedische beschaving. In de Vedische tijd werden jongens opgevoed als brahmacārī’s: het was hun tot hun vijfentwintigste levensjaar niet toegestaan seks te bedrijven. Waar vind je tegenwoordig zo’n opvoeding? Een brahmacārī is een leerling die volstrekt celibatair leeft en in degurukula (school van de spiritueel leraar) de aanwijzingen van de guru opvolgt. Nu wordt er op school en aan de universiteit vanaf het begin seksuele opvoeding gegeven en hebben jongens en meisjes van twaalf en dertien seks met elkaar. Hoe kunnen ze zo ooit een spiritueel leven leiden? Spiritueel leven betekent dat men vrijwillig enige ascese ondergaat om tot godsrealisatie te komen. Dat is de reden waarom we erop staan dat onze ingewijde leerlingen zich niet met vrije seks inlaten, geen vlees eten, niet gokken en geen opwekkende- en bedwelmende middelen gebruiken. Zonder deze beperkingen kan geen enkele vorm van ‘yogameditatie’ of zogenaamde spirituele discipline echt zijn. Het is dan niets anders dan een handelsovereenkomst tussen bedriegers en bedrogenen.

Verslaggever: Dank u zeer.

Śrīla Prabhupāda: Hare Kṛṣṇa.




De absolute noodzaak van een spiritueel leraar

In februari 1936, in Mumbai (Bombay), India, stonden de leden van een befaamde religieuze gemeenschap, de Gauḍīya Maṭha, versteld van de krachtige en welsprekende woorden van een jong lid, die sprak ter ere van zijn spiritu­eel leraar, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī. Dertig jaar later zou de jonge spreker de wereldberoemde stichter en spiritueel leraar worden van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn. Śrīla Prabhu­­pāda’s pre­sentatie is een gedenkwaardige uiteenzetting van het belang van de geestelijk leraar, de discipel en hun relatie.

sākṣād-dharitvena samasta-śāstrair
uktas tathā bhāvyata eva sadbhiḥ
kintu prabhor yaḥ priya eva tasya
vande guroḥ śrī-caraṇāravindam

‘In de geopenbaarde heilige teksten wordt verklaard dat de spiritueel leraar als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods geëerd moet worden, en zuivere toegewijden van de Heer volgen deze aanwijzing op. De spiritueel leraar is de meest vertrouwelijke dienaar van de Heer. Daarom buigen we ons eerbiedig neer aan de lotusvoeten van onze spiritueel leraar.’

Heren, laat me u, namens de leden van de Gauḍīya Maṭha Mumbai, welkom heten, omdat u zo goed bent uw bijdrage te leveren aan ons gezamenlijk eerbetoon aan de lotusvoeten van de wereldleraar, Ācārya­deva, de stichter van de Gauḍīya Missie en voorzitter-ācārya van de Śrī Śrī Viśva-vaiṣṇava Rāja-sabhā, mijn eeuwige goddelijke leraar, Paramahaṁsa Parivrājakācārya Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Mahārāja.

Op uitnodiging van Ṭhākura Bhaktivinoda verscheen Ācāryadeva tweeënzestig jaar geleden op deze gezegende dag te Śrī-kṣetra Jagan­nātha-dhāma in Purī.

Heren, zulke eer brengen aan de ācāryadeva is niet sektarisch, want spreken we over fundamentele begrippen alsgurudeva of ācāryadeva, dan hebben we het over iets universeels. Het komt niet in me op mijn guru van de uwe of van wie dan ook te onderscheiden. Er bestaat slechts één guru, die in een oneindige verscheidenheid aan gedaanten verschijnt, om u, mij en alle andere mensen te onderrichten.

De guru of ācāryadeva brengt, zoals we uit de bonafide heilige teksten vernemen, de boodschap over de absolute wereld, de transcendentale woning van de Absolute Persoonlijkheid, waar alles zonder onderscheid de Absolute Waarheid dienstbaar is. We hebben dikwijls horen zeggen: mahājano yena gataḥ sa panthāḥ (‘Volg het spoor van de voorgaande ācārya’), maar we hebben nauwelijks getracht te begrijpen wat de werkelijke strekking van deze ślokais. Als we dit voorstel nauwkeurig bestuderen, dan zien we dat de mahājana één is en dat de koninklijke weg naar de spirituele wereld ook één is. In de Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12) staat:

tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet
samit-pāṇiḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham

‘Om de transcendentale wetenschap te leren, moet je je tot een bonafide spiritueel leraar wenden die zich in de opeenvolging van discipelen bevindt en die gevestigd is in de Absolute Waarheid.’

Zodoende wordt hier bevolen dat we, als we transcendentale kennis willen ontvangen, de guru moeten benaderen. Als de Absolute Waarheid één is — en daarover hoeft volgens ons geen verschil van mening te zijn — kan de guru niet twee zijn. De ācāryadeva voor wie we vanavond samengekomen zijn, is niet de guru van een sektarische instelling of een van de vele verschillende verkondigers van de waarheid. Nee, hij is de jagad-guru, de guru van ons allemaal; het enige verschil is dat sommigen hem van ganser harte gehoorzamen, terwijl anderen dat niet doen.

In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.27) staat:

ācāryaṁ māṁ vijānīyān
nāvanmanyeta karhicit
na martya-buddhyāsūyeta
sarva-deva-mayo guruḥ

‘Weet dat de spiritueel leraar zo goed is als Ik’, zei de Heer. ‘Niemand moet afgunstig zijn op de spiritueel leraar of hem als een gewoon mens beschouwen, want hij is zo goed als alle halfgoden samen.’ Dat wil zeggen: de ācārya is zo goed als God Zelf. Hij heeft niets te maken met wereldse zaken. Hij verschijnt hier niet om zich met tijdelijke zaken te bemoeien, maar om de gevallen, geconditioneerde zielen te bevrijden — de zielen die naar de materiële wereld zijn gekomen om er te genieten met behulp van de geest en de vijf zintuigen. Hij verschijnt voor ons om het licht van de Veda’s te openbaren en ons de zegeningen van volledige vrijheid te schenken, waarnaar we bij iedere stap op onze levensreis zouden moeten hunkeren.

God openbaarde de transcendentale kennis van de Veda’s eerst aan Brahmā, de schepper van dit universum. Brahmā gaf de kennis door aan Nārada, Nārada aan Vyāsadeva, Vyāsadeva aan Madhva, en langs deze opeenvolging van discipelen werd de transcendentale kennis van discipel tot discipel overgedragen tot ze Heer Gaurāṅga bereikte, Śrī Kṛṣṇa Caitanya, die de rol aannam van leerling en opvolger van Śrī Īśvara Purī. De huidige ācāryadeva is de tiende vertegenwoordiger sinds Śrī Rūpa Gosvāmī, de oorspronkelijke vertegenwoordiger van Heer Caitanya, die deze transcendentale boodschap uitdroeg in al haar facetten. De kennis die we van onze gurudevaontvangen, is dezelfde kennis die door God Zelf en door de lijn van ācārya’s (leermeesters), beginnend met Brahmā,doorgegeven werd. We verheerlijken deze heilzame dag als Śrī Vyāsa-pūjā-tithi, omdat de ācārya de levende vertegenwoordiger is van Vyāsadeva, de samensteller van de Veda’s, de purāṇa’s, de Bhagavad-gītā, het Mahābhārata en het Śrīmad-Bhāgavatam.

Wie het goddelijke geluid of śabda-brahma met behulp van zijn onvolmaakte zintuiglijk vermogen interpreteert, kan geen ware guru zijn, omdat iemand die niet door een betrouwbare ācārya is opgeleid, ongetwijfeld van Vyāsadeva zal afwijken (zoals de māyāvādī’s doen). Śrīla Vyāsadeva is de belangrijkste autoriteit op het gebied van de Vedische kennis en daarom kan iemand die zijn visie negeert niet als guru of ācārya worden aanvaard, ook al is hij nog zo deskundig in materiële kennis. In de Padma Purāṇa staat:

sampradāya-vihīnā ye
mantrās te niṣphalā matāḥ

‘Tenzij je door een betrouwbare spiritueel leraar bent ingewijd in de opeenvolging van discipelen, heeft de mantra die je hebt ontvangen geen enkel effect.’

Wie daarentegen de transcendentale kennis ontvangen heeft door naar de bevoegde leraar in de opeenvolging van discipelen te luisteren en de ware ācārya’s oprecht eerbiedigt, raakt ongetwijfeld verlicht door de geopenbaarde kennis van de Veda’s. Maar deze kennis is niet toegankelijk voor de experimentele benadering van de empirische onderzoekers. De Śvetāśvatara Upaniṣad (6.23) stelt:

yasya deve parā bhaktir
yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ
prakāśante mahātmanaḥ

‘Alleen aan die grote zielen die onvoorwaardelijk vertrouwen hebben in zowel de Heer als in de spiritueel leraar, worden alle facetten van de Vedische kennis vanzelf geopenbaard.’

Heren, onze kennis is zo gering, onze zintuigen zijn zo onvolmaakt en onze vermogens zijn zo beperkt, dat we onmogelijk ook maar enige kennis over het absolute gebied kunnen krijgen als we ons niet aan de lotusvoeten van Śrī Vyāsadeva of zijn bonafide vertegenwoordiger overgeven. Elk moment van de dag worden we misleid door onze rechtstreekse waarneming. Het is allemaal een schepping of verzinsel van de geest, die onophoudelijk bedriegt, verandert en flakkert. We kunnen niets over het transcendentale domein te weten komen met behulp van de beperkte, gebrekkige methode van waarneming en experiment. Wat we wel kunnen doen is aandachtig luisteren naar het transcendentale geluid uit dat gebied, dat ons door de feilloze bemiddeling van Śrī Gurudeva of Śrī Vyāsadeva bereikt. Daarom, mijne heren, moeten we ons vandaag overgeven aan de lotusvoeten van de vertegenwoordiger van Śrī Vyāsadeva, om al onze meningsverschillen, die voortkomen uit een gebrek aan nederigheid, uit de weg te ruimen. In de Śrī Gītā (4.34) staat in verband hiermee:

tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ

‘Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem in alle nederigheid vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.’

Om de transcendentale kennis te ontvangen moeten we ons volkomen aan de ware ācārya overgeven, met een houding van brandende nieuwsgierigheid en dienstbaarheid. Het dienen van de Absolute, onder leiding van de ācārya, is de enige manier waarop we ons transcendentale kennis kunnen eigenmaken. Deze samenkomst, waarbij we vandaag onze nederige diensten en hulde brengen aan de voeten van Ācāryadeva, zal ons in staat stellen ons de spirituele kennis eigen te maken die hij in zijn goedheid, zonder onderscheid te maken, aan iedereen heeft overgebracht.

Gentlemen, we are all more or less proud of our past Indian civilization, but we actually do not know the real nature of that civilization. We cannot be proud of our past material civilization, which is now a thousand times greater than in days gone by. It is said that we are passing through the age of darkness, the Kali-yuga. What is this darkness? The darkness cannot be due to backwardness in material knowledge, because we now have more of it than formerly. If not we ourselves, our neighbors, at any rate, have plenty of it. Therefore, we must conclude that the darkness of the present age is not due to a lack of material advancement, but that we have lost the clue to our spiritual advancement, which is the prime necessity of human life and the criterion of the highest type of human civilization. Throwing of bombs from airplanes is no advancement of civilization from the primitive, uncivilized practice of dropping big stones on the heads of enemies from the tops of hills. Improvement of the art of killing our neighbors by means of machine guns and poisonous gases is certainly no advancement from primitive barbarism, which prided itself on its art of killing by bows and arrows. Nor does the development of a sense of pampered selfishness prove anything more than intellectual animalism. True human civilization is very different from all these states, and therefore in the Kaṭha Upaniṣad [1.3.14] there is the emphatic call:

uttiṣṭhata jāgrata
prāpya varān nibodhata
kṣurasya dhārā niśitā duratyayā
durgaṁ pathas tat kavayo vadanti

‘Word alsjeblieft wakker en probeer te begrijpen wat een zegen deze menselijke levensvorm eigenlijk is. Het pad van spirituele bewustwording is heel moeilijk te begaan; het is zo scherp als een scheermes. Dat is de mening van geleerde transcendentalisten.’

Terwijl anderen zich nog in de schoot van de historische vergetelheid bevonden, hadden de wijzen van India al een ander soort beschaving ontwikkeld, die hen in staat stelde zichzelf te leren kennen. Ze hadden ontdekt dat we beslist geen materiële wezens zijn, maar dat we allemaal spirituele, eeuwige en onvernietigbare dienaren van de Absolute zijn. Maar omdat we tegen beter weten in verkozen hebben om ons volledig met het huidige materiële bestaan te vereenzelvigen, is ons leed door de meedogenloze wet van geboorte en dood, met alle ziekten en zorgen van dien, vermenigvuldigd. Dit leed kan op geen enkele manier langs materiële weg werkelijk verzacht worden, omdat het materiële en het spirituele twee totaal verschillende grootheden zijn. Het is net als wanneer we een vis op het droge zouden leggen en hem alles zouden aanbieden wat er maar aan geluk op het land bestaat. De enige manier om dit dier uit zijn ondraaglijke lijden te verlossen is dat we het naar zijn natuurlijke omgeving terugbrengen. Het spirituele en het materiële zijn volkomen elkaars tegengestelden. We zijn allemaal spirituele wezens. Ook al houden we ons nog zo druk bezig met allerlei wereldse zaken, het zal ons nooit het volmaakte geluk brengen dat in feite ons geboorterecht is. Alleen als we terugkeren naar onze natuurlijke toestand van spiritueel bestaan, bereiken we volmaakt geluk. Dat is de kenmerkende boodschap van onze klassieke Indiase beschaving en ook van de Gītā, de Veda’s, de purāṇa’s en alle ware ācārya’s, met inbegrip van onze huidige Ācāryadeva, in de opeenvolging van Heer Caitanya.

Heren, hoewel we de verheven boodschap van onze Ācāryadeva, Oṁ Viṣṇupāda Paramahaṁsa Parivrājakācārya Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Mahārāja, nog niet volledig begrepen hebben, moeten we toch toegeven dat we ons zeker gerealiseerd hebben dat de goddelijke boodschap van zijn heilige lippen precies dat is wat de lijdende mensheid nodig heeft. Daarom moeten we geduldig naar hem luisteren. Als we naar het transcendentale geluid luisteren, zonder onnodige tegenstand, zal hij ons zeker genadig zijn. De boodschap van de ācārya is bedoeld om ons terug te brengen naar ons oorspronkelijke thuis, terug naar God. Laat me daarom nogmaals herhalen dat we hem geduldig moeten aanhoren, hem overeenkomstig onze overtuiging moeten volgen en ons diep voor zijn lotusvoeten moeten neerbuigen, omdat hij ons bevrijd heeft van onze huidige ongegronde onwil om de Absolute en alle zielen te dienen.

Uit de Gītā leren we dat de ātmā of ziel zelfs na de vernietiging van het lichaam blijft bestaan: de ziel is altijd dezelfde, altijd nieuw en altijd fris. Vuur kan haar niet verbranden, water kan haar niet oplossen, de lucht kan haar niet verdrogen en het zwaard kan haar niet doden. Ze is eeuwig en onsterfelijk. Dit wordt bevestigd in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.84.13):

yasyātma-buddhiḥ kuṇape tri-dhātuke
sva-dhīḥ kalatrādiṣu bhauma ijya-dhīḥ
yat-tīrtha-buddhiḥ salile na karhicij
janeṣv abhijñeṣu sa eva go-kharaḥ

‘Wie deze lichamelijke zak, die uit drie elementen bestaat (gal, slijm en lucht), voor het zelf aanziet, die graag een intieme band met zijn vrouw en kinderen onderhoudt, die denkt dat zijn geboorteland vereerbaar is, die zich baadt in het water van heilige pelgrimsoorden, maar nooit te rade gaat bij mensen die werkelijke kennis bezitten, is niet beter dan een ezel of een koe.’

Helaas zijn we tegenwoordig allemaal dwaas geworden door te negeren wat ons werkelijk troost zou kunnen bieden en door onszelf te identificeren met de kooi van ons lichaam. We steken al onze energie in het zinloos oppoetsen van deze kooi en verwaarlozen de ziel die erin gevangen zit volkomen. Het is de bedoeling dat we de vogel van de ziel uit de kooi van het lichaam bevrijden; de vogel zit er niet voor het welzijn van de kooi. Dit is iets waar we diep over moeten nadenken. Al onze inspanningen zijn er nu op gericht de kooi in stand te houden, en op zijn best slagen we erin de geest wat te voeden met kunst en literatuur. Maar we weten niet dat deze geest ook materieel is, al is het dan in subtielere vorm. Dat wordt in de Gītā (7.4) verklaard:

bhūmir āpo ’nalo vāyuḥ
khaṁ mano buddhir eva ca
ahaṅkāra itīyaṁ me
bhinnā prakṛtir aṣṭadhā

‘Aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego — samen vormen deze acht Mijn afgescheiden materiële energieën.’

We hebben nauwelijks de moeite genomen om de ziel, die zowel van het lichaam als van de geest verschilt, ook wat voedsel te geven. We plegen daarom allemaal zelfmoord in de ware zin van het woord. De ācāryadeva waarschuwt ons dat we zo’n onjuiste manier van handelen moeten stoppen. Laten we ons daarom neerbuigen aan zijn lotusvoeten en hem danken voor zijn zuivere genade en goedheid.

Heren, denk alstublieft geen moment dat mijn gurudeva de moderne beschaving een halt zou willen toeroepen; dat zou een onmogelijke zaak zijn. Maar laten we van hem leren hoe we er het beste van kunnen maken. Laten we inzien hoe belangrijk dit menselijk leven is, dat zich namelijk leent voor het ontwikkelen van de hoogste vorm van werkelijk bewustzijn. We mogen de kansen die deze zeldzame menselijke levensvorm ons biedt niet aan ons voorbij laten gaan. Het Śrīmad-Bhāga­vatam (11.9.29) zegt:

labdhvā su-durlabham idaṁ bahu-sambhavānte
mānuṣyam artha-dam anityam apīha dhīraḥ
tūrṇaṁ yateta na pated anu-mṛtyu yāvan
niḥśreyasāya viṣayaḥ khalu sarvataḥ syāt

‘De zeldzame, menselijke levensvorm wordt verkregen na vele malen geboren en gestorven te zijn, en hij kan ons, hoewel hij tijdelijk is, het hoogste goed schenken. Daarom moet een verstandig mens onmiddellijk proberen het hoogste goed te bereiken en niet opnieuw terechtkomen in herhaalde geboorte en dood. Zinsbevrediging is immers zelfs in de meest verfoeilijke levensvormen voorhanden, terwijl alleen een mens Kṛṣṇa-bewust kan worden.’

Laten we deze levensvorm niet misbruiken door vergeefse pogingen naar materieel genot, dat wil zeggen, door ons leven enkel in dienst te stellen van eten, slapen, verdedigen en seks. De boodschap van Ācāryadeva ligt vervat in de woorden van Śrīla Rūpa Gosvāmī (Bhakti-rasāmṛta-sindhu 1.2.255-256):

anāsaktasya viṣayān
yathārham upayuñjataḥ
nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe
yuktaṁ vairāgyam ucyate

prāpañcikatayā buddhyā
hari-sambandhi-vastunaḥ
mumukṣubhiḥ parityāgo
vairāgyaṁ phalgu kathyate

‘Wie in overeenstemming met het Kṛṣṇa-bewustzijn leeft, bevindt zich beslist in de onthechte levensorde. Hij moet onthecht zijn van zinsbevrediging en alleen dat tot zich nemen wat hij nodig heeft voor het instandhouden van zijn lichaam. Maar de onthechting van iemand die dingen afwijst die in dienst van Kṛṣṇa gebruikt kunnen worden, onder het voorwendsel dat ze materieel zijn, is onvolledig.’

De betekenis van deze śloka’s kan alleen gerealiseerd worden als we, in plaats van de dierlijke, juist de verstandelijke kant van het leven volledig ontwikkelen. Laten we, zittend aan de lotusvoeten van Ācāryadeva, proberen te vernemen wie we zijn, wat dit universum is, wat God is en wat onze relatie met Hem is. De boodschap van Heer Caitanya is de boodschap van de levende wereld voor de levende wezens. Heer Caitanya deed geen moeite om deze dode wereld te verheffen, de wereld met de toepasselijke naam Martyaloka, de wereld waar alles gedoemd is te sterven. 450 jaar geleden daalde Hij temidden van ons neer om ons te vertellen over het transcendentale universum, waar alles blijvend is en waar alles bestemd is voor dienst aan de Absolute. Maar in het recente verleden hebben gewetenloze personen een vertekend beeld gegeven van Heer Caitanya en is de hoogste filosofie van de Heer ten onrechte uitgelegd als de cultus van het laagste slag mensen. Het verheugt ons u vanavond te kunnen meedelen dat onze Ācāryadeva ons in zijn gebruikelijke goedheid heeft gered van zo’n afschuwelijke degradatie; daarom buigen we ons in alle nederigheid neer voor zijn lotusvoeten.

Heren, de huidige beschaafde (of onbeschaafde) samenleving is zo krankzinnig dat ze de Persoonlijkheid Gods enkel onpersoonlijke kenmerken toekent en Hem nietig en krachteloos maakt door te beweren dat Hij geen zintuigen, geen gedaante, geen activiteiten, geen hoofd, geen benen en geen plezier heeft. Ook moderne geleerden hebben er door hun volkomen gebrek aan goede leiding en werkelijk inzicht in spirituele zaken plezier in God zo af te schilderen. Al deze empirici denken hetzelfde: al het genietbare moet door de menselijke samenleving (en dan alleen maar door een specifieke klasse) gemonopoliseerd worden; de persoonlijke God heeft niets anders te doen dan ze op hun grillige wenken te bedienen. Wij hebben het geluk dat we door de goedheid van Śrī Śrīmad Paramahaṁsa Parivrājakācārya Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Mahārāja van deze afschuwelijke kwaal verlost zijn. Hij heeft onze ogen geopend, hij is onze eeuwige vader, onze eeuwige leraar en onze eeuwige gids. Laten we ons daarom op deze heilzame dag neerbuigen aan zijn lotusvoeten.

Heren, hoewel we met betrekking tot de kennis van het Transcendentale nog maar onwetende kinderen zijn, heeft Śrīla Bhaktisiddhānta, mijn gurudeva, niettemin een klein vuur in ons aangewakkerd waarmee we het onoverwinnelijke duister van de empirische kennis kunnen verdrijven. We zijn nu al zodanig in veiligheid, dat we geen duimbreed zullen wijken van onze eeuwige afhankelijkheid van de lotusvoeten van onze gurudeva, ook al komen de empirische denkers met nog zo veel argumenten aan. Bovendien zijn we bereid de geleerdste vertegenwoordigers van de māyādvāda-filosofie tot een discussie uit te dagen en te bewijzen dat de sublieme kennis van de Veda’s uiteindelijk alleen betrekking heeft op de Persoonlijkheid Gods en Zijn transcendentale activiteiten van vermaak in Goloka. Hiervoor vindt men duidelijke aanwijzingen in de Chāndogya Upaniṣad (8.13.1):

śyāmāc chavalaṁ prapadye
śavalāc chyāmaṁ prapadye

‘Om de genade van Kṛṣṇa te ontvangen geef ik me over aan Zijn energie (Rādhā). En om de genade van Zijn energie te ontvangen geef ik me over aan Kṛṣṇa.’

In de Ṛg-veda (1.22.20) staat ook:

tad viṣṇoḥ paramaṁ padaṁ
sadā paśyanti sūrayaḥ
divīva cakṣur ātatam
viṣṇor yat paramaṁ padam

‘De lotusvoeten van Heer Viṣṇu zijn het hoogste doel voor alle halfgoden. Deze lotusvoeten van de Heer stralen als de zon.’

De naakte waarheid, die op zo’n levendige manier is verklaard in de Gītā (de centrale les van de Veda’s), wordt niet begrepen of zelfs maar vermoed door de meest geleerde vertegenwoordigers van het empirisch denken. Hierin ligt het geheim van Śrī Vyāsa-pūjā. Wanneer we mediteren op de transcendentale activiteiten van vermaak van de Absolute God, zijn we er trots op Zijn eeuwige dienaren te zijn en voelen we vreugde in ons opkomen en dansen we van blijdschap. Alle eer aan mijn goddelijke leraar, want hij is het die in ons het besef van het eeuwige leven heeft gewekt. Laten we ons daarom neerbuigen aan zijn lotusvoeten.

Heren, als hij niet was verschenen om ons te verlossen van onze slavernij aan deze grofstoffelijke, wereldse illusie, dan zouden we beslist nog vele levens en lange tijd in het duister van hulpeloze gebondenheid hebben doorgebracht. Als hij niet was verschenen, zouden we niets van de eeuwige waarheid van de verheven leer van Heer Caitanya hebben kunnen begrijpen. Als hij niet was verschenen, dan hadden we onmogelijk de betekenis van de eerste ślokavan de Brahma-saṁhitā (5.1) kunnen doorgronden:

īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ
sac-cid-ānanda-vigrahaḥ
anādir ādir govindaḥ
sarva-kāraṇa-kāraṇam

‘Kṛṣṇa, die Govinda wordt genoemd, is de Allerhoogste God. Hij heeft een eeuwig, gelukzalig, spiritueel lichaam. Hij is de oorsprong van alles. Hij heeft geen oorsprong en is de oorzaak van alle oorzaken.’

Persoonlijk durf ik er niet op te hopen dat ik de eerstvolgende honderdduizend geboorten van mijn levensreis rechtstreeks God zal mogen dienen, maar ik ben vol vertrouwen dat ik op een dag bevrijd zal worden uit dit moeras van illusie, waarin ik nu zo diep ben weggezonken. Laat ik daarom in alle ernst tot de lotusvoeten van mijn spiritueel leraar bidden dat hij me toestaat voor mijn vroegere wandaden te boeten, maar me de kracht zal geven om tot het volgende inzicht te komen: dat ik niets anders ben dan een nietige dienaar van de Almachtige Absolute Heer, een inzicht dat ik door de onwankelbare genade van mijn goddelijke leraar zal krijgen. Laat ik me daarom met alle nederigheid waarover ik beschik neerbuigen voor zijn lotusvoeten.

« Previous Next »