No edit permissions for Nederlands

TEXT 27

yat karoṣi yad aśnāsi
yaj juhoṣi dadāsi yat
yat tapasyasi kaunteya
tat kuruṣva mad-arpaṇam

yat — wat dan ook; karoṣi — je doet; yat — wat dan ook; aśnāsi — je eet; yat — wat dan ook; juhoṣi — je offert; dadāsi — je geeft weg; yat — wat dan ook; yat — wat dan ook; tapasyasi — ascese die je verricht; kaunteya — o zoon van Kuntī; tat — dat; kuruṣva — doe; mat — voor Mij; arpaṇam — als een offer.

Wat je ook doet, wat je ook eet, wat je ook offert of weggeeft en wat voor ascese je ook verricht, doe dat, o zoon van Kuntī, als een offer aan Mij.

Het is ieders plicht om zijn leven zo in te richten, dat hij Kṛṣṇa in geen enkele omstandigheid zal vergeten. Iedereen moet werken om lichaam en ziel bij elkaar te houden, en wat Kṛṣṇa hier aanbeveelt, is dat men voor Hem werkt. Iedereen moet iets eten om in leven te blijven; men moet daarom de overblijfselen van het voedsel aanvaarden dat aan Kṛṣṇa geofferd is. Elk beschaafd persoon moet een of andere religieuze, ritualistische ceremonie verrichten en daarom raadt Kṛṣṇa aan het voor Hem te doen; dit wordt arcana genoemd. Iedereen heeft de neiging om uit vrijgevigheid iets weg te geven; Kṛṣṇa zegt: ‘Geef het aan Mij,’ wat betekent dat alle financiële overschotten die iemand verzamelt, gebruikt moeten worden om de ontwikkeling van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn te bevorderen.

Tegenwoordig zijn mensen zeer geïnteresseerd in het proces van meditatie, dat in dit tijdperk niet praktisch is. Maar als iemand zich erin oefent om vierentwintig uur per dag op Kṛṣṇa te mediteren door de Hare Kṛṣṇa-mantra op zijn meditatiekralen te chanten, dan is hij beslist de grootste beoefenaar van meditatie en de grootste yogī, zoals in het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā werd bevestigd.

« Previous Next »